APPARAATBEHEER

Apparaatbeheer

Diverse apparaten die op het apparaat zijn aangesloten, kunnen worden ingesteld.

INSTELLING DETECTIE FORMAAT ORIGINEEL

Een van de 8 groepen standaardorigineelformaten die hieronder worden weergegeven, kunnen worden geselecteerd voor detectie door de functie Detectie formaat origineel.
Selecties Detecteerbare origineelformaten
GLASPLAAT Documentinvoerlade (automatische documentinvoereenheid)
AB-1 A3, A4, A4R, A5, B4, B5, B5R 11" × 17", 8-1/2" × 14", 8-1/2" × 11", A3, A4, A4R, A5, B4, B5, B5R
AB-2 A3, A4, A4R, A5, B5, B5R, 216 mm × 330 mm (8-1/2" × 13") A3, A4, A4R, A5, B4, B5, B5R, 11" × 17", 8-1/2" × 11", 216 mm × 330 mm (8-1/2" × 13")
AB-3 A4, A4R, A5, B4, 8K, 16K, 16KR A3, A4, A4R, A5, B4, 11" × 17", 8-1/2" × 11", 216 mm × 330 mm (8-1/2" × 13"), 8K, 16K, 16KR
AB-4 216 mm × 340 mm (8-1/2" × 13-2/5"), A3, A4, A4R, A5, B5, B5R A3, A4, A4R, A5, B4, B5, B5R, 11" × 17", 8-1/2" × 11", 216 mm × 340 mm (8-1/2" × 13-2/5")
AB-5 216 mm × 343 mm (8-1/2" × 13-1/2"), A3, A4, A4R, A5, B5, B5R A3, A4, A4R, A5, B4, B5, B5R, 11" × 17", 8-1/2" × 11", 216 mm × 343 mm (8-1/2" × 13-1/2")
Inch-1 11" × 17", 8-1/2" × 14", 8-1/2" × 11", 8-1/2" × 11"R, 5-1/2" × 8-1/2" 11" × 17", 8-1/2" × 14", 8-1/2" × 11", 8-1/2" × 11"R, 5-1/2" × 8-1/2", A3, A4
Inch-2 11" × 17", 216 mm × 330 mm (8-1/2" × 13"), 8-1/2" × 11", 8-1/2" × 11"R, 5-1/2" × 8-1/2" 11" × 17", 216 mm × 330 mm (8-1/2" × 13"), 8-1/2" × 11", 8-1/2" × 11"R, 5-1/2" × 8-1/2", A3, A4
Inch-3 11" × 17", 8-1/2" × 13-2/5" (216 mm × 340 mm), 8-1/2" × 11", 8-1/2" × 11"R, 5-1/2" × 8-1/2" 11" × 17", 8-1/2" × 13-2/5 (216 mm × 340 mm), 8-1/2" × 11", 8-1/2" × 11"R, 5-1/2" × 8-1/2", A3, A4
Annuleren detectie van glasplaat
De automatische origineelformaatdetectie op de glasplaat kan worden uitgeschakeld. Nadat u deze functie hebt uitgeschakeld, worden alle originelen die op de glasplaat worden geplaatst behandeld als speciaal origineelformaat.

Apparaten uitschakelen/Nietinstellingen

Instellingsitems kunnen mogelijk niet worden uitgeschakeld, afhankelijk van de randapparatuur die op dit apparaat is geïnstalleerd.
Uitschakelen van documentinvoereenheid
Gebruik deze instellingen om het gebruik van de automatische documentinvoereenheid niet toe te staan wanneer deze bijvoorbeeld niet goed functioneert. (Er kunnen nog wel originelen met de glasplaat worden gescand wanneer deze instelling is ingeschakeld.)
Invoermodus origineel
De onderstaande invoermodi kunnen worden ingesteld als standaard in de modi Kopiëren, Beeld verzenden en Scannen naar schijf en worden opgeslagen op een extern geheugenapparaat. Wanneer een modus regelmatig wordt gebruikt, hoeft u niet meer steeds dezelfde modus in een andere modus in te stellen.
  • Origineel met gemengde formaten (zelfde breedte (alleen kopieermodus)/verschillende breedte)
  • Langzame scanmodus
  • Lege pagina Overslaan*
* Met uitzondering van faxmodus en internetfaxmodus.
Uitschakelen van duplex
Deze functie wordt gebruikt om 2-zijdig afdrukken uit te schakelen als de duplexmodule bijvoorbeeld niet goed functioneert.
Papierlade met grote capaciteit uitschakelen
Gebruik deze instelling om het gebruik van de papierlade met grote capaciteit te blokkeren, bijvoorbeeld wanneer deze niet goed functioneert.
Lade-instelling uitschakelen
Deze instelling wordt gebruikt om lade-instellingen te blokkeren (met uitzondering van de instellingen voor de doorvoerlade).
Handinvoer uitschakelen
Hiermee wordt het gebruik van de doorvoerlade uitgeschakeld.
Invoegeenheid uitschakelen
Hiermee wordt het gebruik van de invoegeenheid uitgeschakeld.
Staffel uitschakelen
Hiermee wordt het gebruik van de staffellade uitgeschakeld.
Nieteenheid uitschakelen
Deze instelling wordt gebruikt om het gebruik van de nieteenheid te blokkeren, bijvoorbeeld wanneer de nieteenheid van de finisher of nietfinisher niet goed functioneert.
Automatische zadelsteek
Nieten met zadelsteek gebeurt automatisch wanneer de inbindkopiefunctie wordt gebruikt.
Aanpassing vouw positie voor boekrug nieten/vouwen
Deze instelling wordt gebruikt om de vouw- en nietpositie aan te passen wanneer een nietfinisher (voor nieten van 100 vellen) is geïnstalleerd en de functie Zadelsteek wordt gebruikt.
Geef een waarde op binnen +/- 2,0 mm in stappen van 0,25 mm.

Fijne aanpassing niet positie voor boekrug
Deze instelling wordt gebruikt om de nietpositie aan te passen wanneer een nietfinisher (voor nieten van 100 vellen) is geïnstalleerd en de functie Zadelsteek wordt gebruikt.
Stel de nietpositie standaard in met de waarde van 'Aanpassen vouw en nietpositie'.
Geef een waarde op binnen +/- 3,0 mm in stappen van 0,1 mm.
Aanpassing positie nietje voor boekrug nieten
Deze instelling wordt gebruikt om de vouw- en nietpositie aan te passen wanneer een nietfinisher (voor nieten van 50 vellen) is geïnstalleerd.
Geef een waarde op binnen +/- 3,0 mm in stappen van 0,2 mm.

Perforeren uitschakelen
Met deze instelling kunt u het gebruik van perforeren blokkeren, bijvoorbeeld wanneer de perforatiemodule van de afwerkingseenheid of zadelsteek-afwerkingseenheid niet goed functioneert.
Uitschakelen vouw-unit
Deze instelling wordt gebruikt om de vouweenheid uit te schakelen.
U kunt zadelvouwen gebruiken met de nietfinisher zelfs als de vouweenheid is uitgeschakeld.

Stapelaar uitschakelen

Instellingsitems kunnen mogelijk niet worden uitgeschakeld, afhankelijk van de randapparatuur die op dit apparaat is geïnstalleerd.
Uitschakelen van snijmodule
Deze instelling wordt gebruikt om de snijmodule uit te schakelen.
Stapelaar 1 uitschakelen
Deze instelling wordt gebruikt om de primaire stapeleenheid met grote capaciteit uit te schakelen.
Stapelaar 2 uitschakelen
Deze instelling wordt gebruikt om de secundaire stapeleenheid met grote capaciteit uit te schakelen.

Instelling Voor Automatische Papierselectie

U kunt het papiertype* opgeven dat tijdens de functie Automatische papierselectie zal worden geselecteerd. Selecteer een van de volgende instellingen:
  • Normaal papier
  • Normaal en gerecycled papier
  • Gerecycled papier
Met deze instelling zullen via de functie Automatische papierselectie geen andere papiertypen worden geselecteerd dan de opgegeven papiertypen.
* U kunt het papiertype voor elke papierlade instellen door in 'Instellingsmodus' [Systeeminstellingen][Papierlade-instellingen] te selecteren.

Instellingen Stapelaar

Extra instellingen stapelaar
Geef aan of er extra papier moet worden geladen als de stapellade van de stapeleenheid met grote capaciteit al is gevuld met papier.
Instelling automatisch overschakelen
Wanneer twee stapeleenheden met grote capaciteit zijn geïnstalleerd, geeft u aan of papier moet worden uitgevoerd naar de andere stapeleenheid met grote capaciteit op het moment dat de eerste eenheid vol is.

Instelling tandemverbinding

Gebruik deze instelling om het poortnummer en IP-adres in te stellen van het apparaat dat wordt gebruikt als volgapparaat wanneer twee apparaten als netwerkprinter via het TCP/IP-protocol worden gebruikt.
Hoofdapparaatmodus uitschakelen
Schakel deze instelling in om tandemverzending te blokkeren. (Normaalgesproken is het niet nodig deze instelling in te schakelen.)
Volgapparaatmodus uitschakelen
Schakel deze instelling in om tandemontvangst te blokkeren. (Normaalgesproken is het niet nodig deze instelling in te schakelen.)
De fabrieksinstelling voor het poortnummer is '50001'. Verander het poortnummer niet, tenzij u problemen ondervindt met deze instelling.
Als u de tandemfunctie wilt gebruiken wanneer gebruikersauthenticatie is ingeschakeld, moet u op zowel het hoofdapparaat als het volgapparaat dezelfde gebruikersnaam en hetzelfde wachtwoord gebruiken. Als verschillende gebruikersnamen en wachtwoorden worden gebruikt, kan het zijn dat de paginatelling niet aan het juiste gebruikersaantal wordt toegevoegd of dat alleen kan worden afgedrukt via het hoofdapparaat.

Inst. dubbele invoerdetectie

Geef aan of dubbele invoer moet worden gedetecteerd. Niet weergegeven op de MX-M904.
Origineelinvoer
Geef aan of dubbele invoer vanuit de origineelinvoer moet worden gedetecteerd.

Autom. omschakelen van afwerkladen

Als de bovenste afwerklade gevuld is met papier, wordt automatisch overgeschakeld naar de onderste afwerklade.
Als de onderste afwerklade is geselecteerd voor papieruitvoer, wordt papier uitsluitend naar de onderste afwerklade uitgevoerd.

Optimalisatie van vaste schijf

Diverse apparaten die op het apparaat zijn aangesloten, kunnen worden ingesteld.
Met deze functie optimaliseert u de harde schijf van het apparaat door de gegevens te defragmenteren. Als het apparaat bezig is met een opdracht, wordt een melding getoond en begint de optimalisatie pas nadat de opdracht is voltooid. Tijdens de optimalisatie zijn de volgende handelingen niet mogelijk:
  • Toegang tot de instellingsmodus (webversie) en ontvangst van afdrukgegevens
  • Gebruik van toetsen op het bedieningspaneel
  • De stroom uitschakelen met behulp van de hoofdschakelaar van het apparaat.
  • Automatisch uitschakelen
Wanneer de optimalisatie is voltooid, zal het apparaat automatisch opnieuw opstarten.
Wanneer regelmatig gebruik wordt gemaakt van de functie Documentarchivering en de uitvoer van bestanden steeds trager lijkt te gaan, is het aan te raden de harde schijf te optimaliseren om de prestaties te verbeteren.

Stand fuserreiniging

Gebruik deze functie om de fuseereenheid van het apparaat te reinigen als puntjes of ander vuil op de afdrukzijde van het papier verschijnen. Als deze functie wordt uitgevoerd, wordt met 'V' bedrukt papier uitgevoerd en wordt de fuseereenheid gereinigd.
Als u geen verbetering bespeurt nadat u de functie voor het eerst hebt gebruikt, voert u deze nogmaals uit.

Reinig modus MC

Dit apparaat voert periodiek automatische reinigingsactiviteiten uit en normaliter is het niet nodig om deze modus te activeren. Alleen als er zwarte en gekleurde strepen (ongelijkmatige kleurverdeling) op het afgedrukte papier verschijnen, voert u deze modus uit.
  • Gebruik deze functie niet als er geen zwarte of gekleurde strepen verschijnen. Als u deze functie onder normale omstandigheden gebruikt, kan dit tot slijtage van de reiniger leiden.

Instelling fusing-temperatuur

Hiermee wordt de fuseertemperatuur van de toner in overeenstemming met het gewicht van het papier geregeld.
Deze instellingen zijn van toepassing op normaal papier, gerecycled papier, geperforeerd papier, voorbedrukt papier, briefhoofdpapier, gekleurd papier en door de gebruiker bepaald papier.
U kunt 60 g/m2 tot 89 g/m2 of 90 g/m2 tot 105 g/m2 (16 tot 23 lbs. of 23+ tot 28 lbs.) selecteren.
  • Zorg dat u alleen papier gebruikt dat in dezelfde gewichtklasse valt als de hier ingestelde gewichtklasse. Meng geen normaal papier dat buiten de klasse valt met het papier in de lade.
  • Wanneer instellingen worden gewijzigd, worden deze pas van kracht nadat het apparaat opnieuw is opgestart. Zie 'DE VOEDING IN- OF UITSCHAKELEN EN HET APPARAAT OPNIEUW OPSTARTEN' voor informatie over het opnieuw opstarten van het apparaat.

Lijstafdruk

Om [Enkelzijdig] of [Dubbelzijdig] afdrukken aan te geven in Lijst afdrukken.

Verminder zwarte strepen

Geef op of u het verminderen van zwarte strepen al dan niet wilt gebruiken.
De functie voor het verminderen van zwarte strepen kan worden gebruikt bij de functies Origineel scannen, Kopiëren, Beeld Verzenden en Scannen naar schijf.
Als het verminderen van zwarte strepen is ingeschakeld, maakt u een keuze uit de volgende opties.
  • Dunne zwarte strepen verwerken
  • Normaal
  • Dunne en dikke zwarte strepen verwerken
Geef waarschuwingsbericht bij opmerken zwarte strepen.
Stel deze optie in om een waarschuwingsbericht weer te geven als zwarte strepen worden gedetecteerd door de documentinvoereenheid.

Statusindicatorinstell.

De statusindicator achter op het apparaat gaat branden of knipperen om de status van het apparaat aan te geven.
U kunt deze instelling aanpassen en zelf instellen welke status overeenkomt met het branden of knipperen van de groene indicator (statusindicator). De indicator gaat uit wanneer Automatisch uitschakelen is ingeschakeld.
Statusindicator (groen): U kunt aangeven welke taakstatus en scanstatus leidt tot het aangaan of knipperen van de indicator.
Groene indicator (statusindicator): Deze indicator gaat branden of knipperen wanneer er een fout optreedt op het apparaat.
De groene indicator (statusindicator) gaat branden en knipperen ongeacht het patroon dat u selecteert.
Status Patroon 1 Patroon 2
Groene indicator (statusindicator)

Apparaat voert een taak uit.

Groen: brandt

-

Apparaat kan een taak aannemen.

-

Groen: brandt

Apparaat scant een origineel.

Groen: knippert

-

Apparaat scant een origineel/verwerkt gegevens.

-

Groen: knippert

Apparaat verkeert in een andere status dan de bovenstaande.

Groen: uit

Groen: uit

Rode indicator (foutindicator)

Er is een fout opgetreden maar het apparaat kan nog worden gebruikt.

Rood: brandt

Rood: brandt

Er is een fout opgetreden en het apparaat kan niet meer worden gebruikt.

Rood: knippert

Rood: knippert

Apparaat verkeert in een andere status dan de bovenstaande.

Rood: uit

Rood: uit

Terug naar begin